En toen had ik plots tyfus

Mijn huisbaas kwam op bezoek om het geld voor mijn elektriciteitsrekening van de vorige maand te innen. Hij vroeg me hoe het met mijn ziekte ging.
“Oh, heel goed,” zei ik terwijl ik overvloedig aan het zweten was.
“Wat was het ook alweer?” vroeg hij.
“Tyfus. Buiktyfus.”
En met deze woorden deed hij een paar stappen achteruit.
“Oh. Dat is niet leuk. Niet zo goed. Wordt snel beter. Je kunt ook volgende maand betalen, voor mij geen probleem.” Hij heeft mijn deur achter zich al geopend. “Hé, geen probleem, joh. Doe het rustig aan.”
En hij was weg.

Tyfus is een bacteriële ziekte die wordt overgedragen door de inname van voedsel, of water, dat besmet is met de ontlasting van een geïnfecteerde persoon, die de bacterie Salmonella Typhi bevat. Het kan dus worden verspreid door slechte hygiënische gewoonten en openbare sanitaire voorzieningen en soms door vliegende insecten die zich voeden met uitwerpselen.

Het zou niet zo gemakkelijk zijn geweest om mijn huisbaas te besmetten.

Hoe kan ik nu die bacteriën in mijn systeem hebben gekregen? Mogelijk heeft een besmette persoon in mijn laatste vakantielanden, Indonesië of Maleisië, zijn of haar handen niet gewassen en mijn eten klaargemaakt. Of die ene strontvlieg besloot rond te lopen op al dat eerder bereide eten. Eten dat al uren op klanten wachtte? Want zo gaat dat op Sumatra normaal met die volle rijsttafels.

Als liefhebber van Indonesisch eten walgde ik helaas van vrijwel de helft van het eten dat in Indonesië werd gepresenteerd. In het noorden van Sumatra blijft het normaal om in een restaurant te gaan zitten en je krijgt dan alle eerder bereide warme gerechten in kleine kommetjes voorgeschoteld. De tafel wordt gevuld. De hele tafel is het menu. En alles is koud. Maar als ik honger heb, en moe ben van het reizen, dan eet ik. En ik houd normaal gesproken van deze diners in “rijsttafel” -stijl, maar het was smakeloos. Of ze smaakten allemaal hetzelfde. Het was saai. Dood gekookt. Waar waren de smaken? Ik gaf zelfs de voorkeur aan het Indonesische restaurant in mijn straat in Phnom Penh boven dat alles in Indonesië! Mijn moeder kookt zelfs beter Indonesisch.

Mogelijk was het daar misgegaan. Uiteindelijk betaal ik voor uit welk bakje je wat had. Ik had een beetje van dat, wat van dit, een gekookt ei, en dat gele ding daar. In totaal een enorme rekening van $ 3,15.

Die bacteriën konden vrij duidelijk van zo’n plek zijn gekomen. Hygiëne is ook in dat deel van Indonesië ver te zoeken.

Ik was weer zo’n vijf dagen thuis van die reis toen ik een beetje moe was, veel te vroeg voor een normale dag. Dus ik heb een klein dutje gedaan. Dat werd een vroege avond. Dat werd “Als ik ziek ben, is het morgen wel weer weg.” Totdat mijn vriendin zei dat ik echt naar de dokter moest.

De arts van de kliniek in Phnom Penh merkte meteen dat ik erg uitgedroogd was. Er ging anderhalve liter elektrolyten in mijn arm. Plus vloeibare pijnstillers. Maak dat twee van die vloeibare zakken in mijn arm. Mijn bloedwaarden waren naar beneden gestort. Er werd een bloedkweek  naar het Pasteur Instituut uitgezet.

Uit het bloedonderzoek bleek geen malaria, geen dengue, geen HIV. Mijn aantal witte bloedcellen was wèl alarmerend laag.

“Dit kan tyfus zijn, omdat je alle symptomen van buiktyfus hebt”, zei de dokter. Ik vond alles oké, behandel me er gewoon tegen en dan is het allemaal voorbij. Morgen, als het even kan.

Ik wist niet dat de behandeling die dag begon en ongeveer twee weken tot twee maanden kon duren…

’s Nachts had ik bijna ondraaglijke zweetaanvallen. Ik stond in brand. Vijf minuten later kreeg ik de ijskoude rillingen. Alsof iemand me op de oceaanbodem had gezet. Koorts bereikte dagelijks de 40 graden. Paracetamol werd mijn beste vriend en om alles te verlichten nam ik elke 4 uur twee pillen van 500 gram. Donderende hoofdpijn verdween zolang ik de pijn doodde. Delirium kwam er vanzelf wel bij. Voeg elk uur een bezoek aan de badkamer toe. En liters elektrolytenwater (Royal D-poeder gemengd met water) per liter. Elke nacht.

De bloedkweek uit het lab kwam “steriel” terug. Drie dagen lang was er geen bacteriële activiteit te zien. Ik was blij, maar volgens de dokter zou de tyfusbacterie heel moeilijk te herkennen zijn in een bloedkweek. Als je tien bloedkweken neemt, zie je misschien één keer de activiteit ervan. Dus de behandeling tegen tyfus werd voortgezet.

Vijf dagen ziekenhuisbezoeken volgden na de eerste. En elke dag ontving ik direct antibiotica via een infuus in mijn arm. En toen ging het verder in antibioticapillen. Nog vijf dagen.

Nadat deze hele routine van 10 dagen antibiotica achter de rug was, wilde de dokter me zien. De bacterie leek te zijn verdwenen. Sneller dan normaal. Ik had me de afgelopen dagen iets meer levend gevoeld. Ik had ook het grootste deel van de paracetamol losgelaten, dat eerder een intern harnas was gaan maken ​​dat me volledig verstijfde.

Ik voelde me beter, maar voelde me het meest opgelucht op de eerste dag zonder medicatie. Op een dag hoefde ik geen ibuprofen meer te slikken om de hoofdpijn in te dammen en geen grote antibiotica-pil bij het ontbijt meer te nemen.

Toen was ik weer vrij. Weer gezond. Tyfus vrij. Langzaam laadde de batterij van mijn lichaam weer op naar normale omstandigheden.

Toen wilde ik zwemmen. Ik wilde de dingen eten die ik lekker vind. Ik wil de normale dingen drinken. Ik wilde uitgaan!

Maar laat ik eerst die huisbaas eens opzoeken en die elektriciteitsrekening betalen.

Reageer:

Your email address will not be published.

Site Footer